Wanneer een paard gevoelig is voor hoefbevangenheid, gaat de aandacht al snel naar het suikergehalte van het gras.
Terecht. Maar daarmee kennen we nog niet het volledige risico.
Want uiteindelijk wordt dat risico bepaald door twee dingen:
wat er in het gras zit én hoe het individuele paard daarop reageert.
Een studie uit 2026 laat mooi zien waarom die twee niet los van elkaar bekeken moeten worden.
Gras verandert gedurende het jaar
Onderzoekers volgden dertig Hucul-merries: vijftien paarden met een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid en vijftien controlepaarden.
Tijdens verschillende momenten van het weideseizoen werden zowel het gras als metabole waarden van de paarden onderzocht.
Het gehalte aan wateroplosbare koolhydraten in het gras was het hoogst in mei en duidelijk lager in oktober. Het zetmeelgehalte liet juist een ander seizoenspatroon zien. Tegelijk werden bij de paarden onder andere glucose, insuline, fructosamine en lichaamsgewicht gevolgd.((The Effect of Seasonal Changes in Non-Structural Carbohydrates in Pasture on the Metabolic Profile of Horses with Laminitis – PMC))
Dat alleen al laat zien waarom één grasmonster nooit vertelt hoe een weide er maanden later nutritioneel voorstaat. Licht, temperatuur, vocht, groeistadium en seizoen beïnvloeden de koolhydraatsamenstelling voortdurend.
En het paard verandert mee
Het interessante aan deze studie is dat de paarden met een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid niet op álle gemeten waarden duidelijk verschilden van de gezonde paarden.
Om dat te begrijpen, is het handig om eerst te weten wat de onderzoekers precies maten.
Glucose is de hoeveelheid suiker die op dat moment in het bloed aanwezig is.
Insuline is het hormoon dat het lichaam helpt om die glucose uit het bloed op te nemen en te verwerken.
Fructosamine geeft geen momentopname, maar een indruk van de gemiddelde bloedsuiker over de voorafgaande twee tot drie weken.
Je zou het dus kunnen vergelijken met drie verschillende foto’s van hetzelfde proces: wat is de bloedsuiker nú, hoeveel insuline circuleert er nú en hoe zag de bloedsuiker er gemiddeld over een langere periode uit?
Geen duidelijk verschil in insuline
Opvallend genoeg vonden de onderzoekers op geen van de meetmomenten een statistisch significant verschil in insuline tussen paarden met en zonder een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid.
Dat betekent dat je uit deze studie niet kunt concluderen dat paarden die eerder hoefbevangen waren voortdurend meer insuline in hun bloed hadden.
Maar daarmee hield het verschil tussen de groepen niet op.
Wel verschillen in de verwerking van glucose
In mei en oktober was de bloedglucose bij de paarden met een hoefbevangenheidsverleden significant hoger dan bij de controlepaarden.
Ook fructosamine lag gedurende het weideseizoen gemiddeld hoger in deze groep. Alleen in oktober was dat verschil groot genoeg om statistisch significant te zijn. Belangrijk daarbij is dat de fructosaminewaarden van beide groepen nog ruim binnen de gebruikte referentiewaarden lagen.
De onderzoekers interpreteren dit daarom niet als bewijs dat deze paarden voortdurend een abnormaal hoge bloedsuiker hadden. Het wijst eerder op een minder stabiele glucoseregulatie: hun lichaam leek gedurende het seizoen anders om te gaan met veranderingen in de koolhydraatsamenstelling van het gras.
En precies daar zit de praktische waarde van het onderzoek.
Een normale insulinewaarde op één meetmoment vertelt niet automatisch het hele metabole verhaal. Net zoals één suikeranalyse van het gras niet precies voorspelt hoe ieder individueel paard erop zal reageren.
De combinatie van het gras, het seizoen, de metabole voorgeschiedenis én de individuele reactie van het paard is uiteindelijk belangrijker dan één afzonderlijk getal.
Een grasanalyse vertelt niet hoeveel risico jouw paard loopt
Dat is precies het probleem met algemene regels over weidegang.
Twee paarden kunnen naast elkaar op dezelfde weide staan en toch niet hetzelfde metabole risico hebben.
Hun voorgeschiedenis, insulinedynamiek, lichaamsconditie, beweging, totale voeropname en waarschijnlijk nog andere individuele factoren spelen mee.
Een analyse van het gras kan daarom bijzonder nuttig zijn, maar geeft antwoord op de vraag: wat bevat dit gras op dit moment? Niet automatisch op: hoe zal mijn paard hierop reageren?
En hoe zit het dan met ‘veilig grazen’?
Ook daar is voorzichtigheid nodig. Het bekende advies dat gras bijvoorbeeld ‘s morgens of juist in de namiddag altijd veiliger zou zijn, is te absoluut.
De hoeveelheid opgeslagen koolhydraten in gras wordt beïnvloed door meerdere omstandigheden. Bovendien onderzocht deze specifieke studie seizoensverschillen, geen uur-tot-uurverschillen tussen ochtend en middag. Ze kan dus geen universeel veilig graasmoment aanwijzen. Maar voor een paard met een verhoogd metabool risico is een klok geen betrouwbaar managementinstrument.
Een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid blijft relevante informatie
Een paard dat eerder hoefbevangen is geweest verdient daarom individuele opvolging.
Niet vanuit angst voor ieder sprietje gras, maar omdat eerdere laminitis belangrijke klinische informatie geeft.
Daarbij kan gekeken worden naar onder andere:
- lichaamsconditie;
- regionale vetophoping en cresty neck score;
- veranderingen in gewicht;
- actuele metabole status;
- hoeveelheid en kwaliteit van het ruwvoer;
- daadwerkelijke grasopname;
- beweging;
- seizoen en weersomstandigheden.
Bij twijfel over insulinedysregulatie hoort diagnostiek bij de dierenarts thuis.
Grasmanagement is geen eenmalige beslissing
Een paard in april op de weide zetten met één vast schema dat vervolgens tot oktober wordt aangehouden, houdt weinig rekening met hoe dynamisch zowel gras als paard zijn.
Weidebeheer mag daarom mee veranderen.
Niet iedere verandering vraagt om drastische maatregelen. Wel om blijven kijken: naar het gras, naar het seizoen én vooral naar het paard.
Want uiteindelijk is het suikergehalte van het gras maar de helft van het verhaal.
De andere helft is het paard dat erop staat.