De laatst tijd viel mij iets op.
Wanneer ik door recent onderzoek over paardenvoeding, stofwisseling en hoefbevangenheid ga, duikt steeds hetzelfde onderwerp op: insulinedysregulatie.
Het ene onderzoek volgt het andere op. Er wordt gekeken naar nieuwe diagnostische testen, de insulinerespons op verschillende suikers, de rol van darmhormonen, verschillen tussen rassen, sportpaarden, PPID, corticosteroïden en mogelijke geneesmiddelen.
In het najaar van 2026 wordt er zelfs een volledige masterclass voor dierenartsen aan gewijd. Niet gewoon één lezing, maar een volledige reeks over diagnostiek, voeding en beweging, acute en chronische hoefbevangenheid, medicamenteuze behandeling en therapietrouw van paardeneigenaren.
Dit riep de vraag op: Waarom krijgt insulinedysregulatie plots zoveel aandacht? Zijn er ineens veel meer paarden met een ontregelde insulinehuishouding? Of kijken we met een nieuwe bril naar een probleem dat er altijd al was?
De aandoening is niet nieuw. Onze kijk erop wel
Lange tijd werd vooral gesproken over insulineresistentie. Daarbij reageert het lichaam minder gevoelig op insuline. De alvleesklier compenseert dat door meer insuline te produceren, zodat alsnog glucose uit het bloed kan worden opgenomen.
Het bekende beeld hoorde daarbij: de sobere pony, te dik, met een harde manenkam en terugkerende hoefbevangenheid. Het paard had Equine Metabolic Syndrome, was insulineresistent en moest afvallen.
Dat beeld bleek niet volledig onjuist, maar het was wel te beperkt. Niet ieder paard met overgewicht heeft insulinedysregulatie. En niet ieder paard met insulinedysregulatie is dik.
Bovendien kan een paard na de opname van suiker een extreem hoge insulinepiek vertonen zonder dat er op dat moment sprake is van duidelijk aantoonbare insulineresistentie. Ook een verhoogde basale insulineconcentratie, een overdreven insulinerespons na een maaltijd en een vertraagde afbraak van insuline kunnen onderdeel zijn van het probleem.
Daarom wordt tegenwoordig gesproken over insulinedysregulatie. Dat is geen ander woord voor insulineresistentie, maar een bredere beschrijving van een verstoorde insulinehuishouding. Die verandering in terminologie heeft ook de richting van het onderzoek veranderd.
De vraag is niet langer alleen waarom lichaamsweefsels minder gevoelig worden voor insuline. Onderzoekers kijken nu ook naar de hoeveelheid insuline die de alvleesklier produceert, de snelheid waarmee insuline uit het bloed wordt verwijderd en de signalen vanuit de darm die na voedselopname de insulineproductie stimuleren.
Insuline bleek niet alleen een meetwaarde
De aandacht nam vooral toe toen duidelijk werd dat een verhoogde insulineconcentratie niet uitsluitend een onschuldige laboratoriumbevinding is.
In experimenteel onderzoek kon hoefbevangenheid worden opgewekt door de insuline langdurig sterk te verhogen, terwijl de bloedglucose binnen normale grenzen werd gehouden. Het was dus niet de hoge glucose die de hoeflamellen beschadigde. De hyperinsulinemie zelf kon het proces in gang zetten.
Dat veranderde de positie van insuline fundamenteel.
Insuline was niet langer alleen een aanwijzing dat er ergens in de stofwisseling iets misging. Het werd een centrale risicofactor voor endocrinopathische hoefbevangenheid.
In de ECEIM-consensus over Equine Metabolic Syndrome uit 2019 werd insulinedysregulatie dan ook als de belangrijkste onderliggende risicofactor aangewezen.
In recente wetenschappelijke reviews wordt geschat dat ongeveer 90 procent van de gevallen van hoefbevangenheid met een endocriene aandoening en insulinedysregulatie samenhangt. Dat betekent dat we bij hoefbevangenheid niet alleen naar gras, overgewicht of PPID moeten kijken, maar naar de manier waarop het paard insuline reguleert. Dat is geen semantisch verschil. Het bepaalt wat we onderzoeken, welke paarden we testen en waarop behandeling en preventie worden gericht.
We missen waarschijnlijk paarden
Een tweede reden voor de groeiende belangstelling is dat insulinedysregulatie minder gemakkelijk te herkennen blijkt dan gedacht.
Een paard kan een normale basale insulinewaarde hebben en na voedselopname toch een abnormaal hoge insulinerespons vertonen. Wie alleen één nuchter bloedstaal neemt, kan zo’n paard dus ten onrechte als normaal beschouwen.
Een in juli 2026 gepubliceerd onderzoek bij 180 sportpaarden maakt dat pijnlijk duidelijk. In deze geselecteerde groep werd bij 41 paarden, ofwel 22,8 procent, insulinedysregulatie vastgesteld met behulp van een orale suikertest.
Slechts 11 van die 41 paarden hadden al vóór de test een verhoogde insulinewaarde. De andere 30 werden pas zichtbaar nadat hun insulinerespons na toediening van suiker werd gemeten.
Ook het uiterlijk bleek het risico niet betrouwbaar te voorspellen. Het onderzoek werd uitgevoerd bij een geselecteerde groep sportpaarden die voor orthopedisch onderzoek naar een universiteitskliniek kwamen of op deelnemende bedrijven stonden. Het percentage van 22,8 procent mag daarom niet zomaar worden vertaald naar de volledige sportpaardenpopulatie.
Maar het onderzoek toont wel iets belangrijks aan: insulinedysregulatie beperkt zich niet noodzakelijk tot de dikke pony met de harde manenkam. En een normale basale insulinewaarde sluit het probleem niet uit. Dat opent een veel groter onderzoeksveld.
Hoeveel paarden worden momenteel gemist? Welke paarden moeten dynamisch worden getest? Wanneer is een oral sugar test aangewezen? Welke hoeveelheid suiker moet worden toegediend? Op welk moment moet bloed worden afgenomen? En welke afkapwaarde hoort bij de gebruikte laboratoriummethode?
Diagnostiek is minder eenvoudig dan één getal
Insuline is geen statische waarde. De concentratie wordt beïnvloed door wat en wanneer het paard heeft gegeten, de samenstelling van het ruwvoer, het seizoen, beweging, stress, lichaamsconditie, leeftijd, ras, PPID en bepaalde geneesmiddelen.
Daar komt bij dat verschillende laboratoriumtesten niet noodzakelijk exact dezelfde resultaten geven. Een afkapwaarde die voor de ene analysemethode werd vastgesteld, kan niet zonder meer op een andere methode worden toegepast.
Ook dynamische testen zijn nog volop in ontwikkeling. Onderzoekers vergelijken verschillende doses, meetmomenten en soorten suiker. Tegelijk wordt gewerkt aan testen die sneller en praktisch op stal kunnen worden uitgevoerd.
Daarom is nascholing geen overbodige luxe. De wetenschap is te snel veranderd om te blijven vertrouwen op de vroegere aanpak van één nuchtere insulinemeting bij een zichtbaar te dikke pony.
Maar er speelt nog iets.
Zodra een aandoening behandelbaar wordt, verandert de belangstelling
De behandeling van insulinedysregulatie bestond lange tijd hoofdzakelijk uit management. Het rantsoen werd aangepast, de opname van suiker en zetmeel beperkt, overgewicht aangepakt en beweging opgebouwd wanneer het paard daartoe lichamelijk in staat was.
Geneesmiddelen zoals metformine en levothyroxine werden soms ingezet, maar de resultaten bij paarden zijn wisselend. Er bestond geen voor paarden geregistreerd geneesmiddel dat specifiek bedoeld was om hyperinsulinemie te behandelen.
De afgelopen jaren is daar verandering in gekomen door de belangstelling voor SGLT2-remmers, ook wel gliflozinen genoemd. Deze middelen remmen de terugopname van glucose door de nieren. Daardoor wordt meer glucose via de urine uitgescheiden en is minder insuline nodig om de bloedglucose te reguleren.
Het gaat daarbij niet om één enkel geneesmiddel.
Onder andere ertugliflozin en dapagliflozin worden al off-label gebruikt bij paarden met ernstige of moeilijk te controleren hyperinsulinemie. Inmiddels wordt ook bexagliflozin onderzocht. De eerste studies en klinische casusreeksen laten zien dat verschillende middelen uit deze groep de insulineconcentratie bij paarden kunnen verlagen.
Dat betekent echter niet dat alle gliflozinen onderling uitwisselbaar zijn of dat hun werkzaamheid en veiligheid bij paarden al voldoende vaststaan.
De beschikbare onderzoeken verschillen sterk in opzet, dosering, behandelduur en patiëntengroep. Sommige studies zijn uitgevoerd bij paarden met spontaan voorkomende insulinedysregulatie, andere bij gezonde paarden of bij paarden die na toediening van corticosteroïden tijdelijk een verhoogde insulinerespons ontwikkelden. Ook gaat het dikwijls om kleine onderzoeksgroepen, retrospectieve gegevens of magistrale bereidingen.
Daarnaast zijn er belangrijke veiligheidsvragen.
Doordat glucose via de urine verloren gaat, verandert niet alleen de insulinehuishouding maar ook de energiestofwisseling. Bij behandelde paarden zijn stijgende triglyceridenconcentraties beschreven. Vooral bij paarden die minder eten, sterk afvallen of gevoelig zijn voor hyperlipemie – een ernstige stijging van de bloedvetten – vraagt dat om zorgvuldige selectie en opvolging.
Binnen deze ontwikkeling neemt velagliflozin een bijzondere positie in omdat voor dit middel een specifiek veterinair product voor paarden werd ontwikkeld.
In Groot-Brittannië kreeg Scovella, een orale oplossing met velagliflozin, in april 2026 een beperkte marktvergunning voor de behandeling van hyperinsulinemie bij paarden en pony’s die onvoldoende reageren op aanpassingen in huisvesting, voeding en beweging.
De Britse productinformatie benadrukt dat het middel goed management niet vervangt. Vooraf moet insulinedysregulatie worden vastgesteld en tijdens de behandeling moeten onder andere de eetlust, lichaamsconditie en triglyceridenwaarden worden opgevolgd.
Voor de Europese Unie verliep de beoordeling anders. Op 18 juni 2026 gaf het Europees Geneesmiddelenbureau een negatief advies over de toelating van Scovella. Volgens het beoordelingscomité was op basis van de ingediende gegevens onvoldoende aangetoond dat de verhouding tussen werkzaamheid en risico gunstig was.
Dat betekent niet automatisch dat velagliflozin niet werkt. Het betekent dat het beschikbare dossier volgens de Europese beoordelaars nog onvoldoende bewijs leverde voor een positieve marktvergunning.
En precies daar ontstaat een sterke prikkel voor verder onderzoek. Want welke gliflozine werkt het best bij paarden? Welke dosis is effectief zonder de energiestofwisseling onnodig te verstoren? Welke paarden komen voor behandeling in aanmerking? Hoe lang kan of moet worden behandeld? En welke bloedwaarden moeten tijdens de behandeling worden opgevolgd?
Zodra een volledige geneesmiddelenklasse klinisch bruikbaar lijkt en één middel bovendien op weg is naar een veterinaire registratie, wordt een correcte diagnose zowel klinisch als commercieel belangrijker. Er ontstaat behoefte aan eenduidige testprotocollen, duidelijke behandelingscriteria, veiligheidsmonitoring en dierenartsen die insulinedysregulatie correct kunnen herkennen en behandelen. Het zou daarom naïef zijn om te denken dat de farmaceutische ontwikkeling volledig losstaat van de huidige golf aan onderzoek en nascholing.
Dat maakt de wetenschappelijke belangstelling niet verdacht. De relatie tussen hyperinsulinemie en hoefbevangenheid was al aangetoond voordat gliflozinen bij paarden in beeld kwamen. Dat de mogelijkheid van medicamenteuze behandeling de huidige wetenschappelijke en klinische belangstelling verder aanwakkert, ligt voor de hand.
Is er dan sprake van een nieuwe epidemie?
Dat weten we niet.
Er zijn aanwijzingen dat insulinedysregulatie vaker voorkomt dan vroeger werd aangenomen. Maar meer diagnoses betekenen niet automatisch dat de aandoening zelf plots veel vaker voorkomt.
Wanneer we andere paarden gaan testen, gevoeligere testen gebruiken en een bredere definitie hanteren, zullen we vanzelf meer gevallen vinden.
Tegelijk kan de moderne paardenhouderij de aanleg voor insulinedysregulatie wel zichtbaarder maken. Veel paarden krijgen structureel meer energie en niet-structurele koolhydraten aangeboden dan ze nodig hebben, terwijl ze minder bewegen. Paarden worden bovendien ouder, waardoor ook PPID en de combinatie van PPID met insulinedysregulatie vaker een rol kunnen spelen. Waarschijnlijk sluiten beide verklaringen elkaar niet uit.
We hebben te maken met paarden die door aanleg en management daadwerkelijk een metabool probleem ontwikkelen. Maar we zetten ook een nieuwe bril op, waardoor we gevallen herkennen die vroeger werden omschreven als “gevoelig voor gras”, “snel dik” of “onverklaarbaar hoefbevangen”.
Wat betekent dit voor de voeding?
De komst van mogelijke medicatie verandert niets aan het fundament.
Ook de officiële productinformatie maakt duidelijk dat medicatie pas na management komt. Scovella is bedoeld voor paarden die onvoldoende reageren op aanpassingen in management en beweging en vervangt een passend rantsoen, goede huisvesting en voldoende beweging nadrukkelijk niet.
De opname van suiker en zetmeel kan een sterke insulinerespons uitlokken. Wie alleen probeert de insuline medicamenteus te verlagen zonder te kijken naar de hoeveelheid en het type koolhydraten dat het paard krijgt, behandelt een getal maar niet noodzakelijk de dagelijkse aanleiding.
Daarbij is “laag in suiker” of “laag in zetmeel” op een verpakking niet voldoende. Het gaat om de totale opname, de hoeveelheid per maaltijd, het ruwvoer, de energiebalans, de lichaamsconditie, de mogelijkheid tot bewegen en de reactie van het individuele paard. Een diagnose leidt daarom niet automatisch tot één standaardrantsoen.
Het rantsoen van een obese pony met weinig beweging vraagt een andere aanpak dan dat van een schraal sportpaard met een overdreven insulinepiek na het eten. Ook een ouder paard met PPID, gebitsproblemen en verlies van spiermassa kan niet simpelweg op een streng afslankrantsoen worden gezet omdat de insuline verhoogd is.
Diagnostiek en voedingsanalyse moeten elkaar aanvullen. Een rantsoenanalyse kan geen insulinedysregulatie diagnosticeren. Maar een bloedtest vertelt evenmin waarom het huidige rantsoen bij dit paard tot problemen leidt of hoe het veilig kan worden aangepast.
Een nieuwe bril moet scherper zien
De groeiende aandacht voor insulinedysregulatie is dus geen toeval. Wetenschappelijk onderzoek heeft hyperinsulinemie aangewezen als een centrale schakel in het ontstaan van endocrinopathische hoefbevangenheid. Nieuwe studies tonen aan dat we paarden kunnen missen wanneer we uitsluitend op uiterlijk of een basale insulinewaarde vertrouwen. Tegelijk worden dynamische testen verder verfijnd, worden verschillende gliflozinen bij paarden onderzocht of off-label gebruikt en is in Groot-Brittannië inmiddels het eerste specifiek voor paarden geregistreerde product beschikbaar.
Daardoor wordt insulinedysregulatie wetenschappelijk, klinisch én commercieel belangrijker. Dat maakt het onderwerp terecht relevant. Maar het brengt ook een risico met zich mee: dat we na jaren van onderdiagnostiek doorslaan en achter ieder vetkussentje, iedere stijve pas of iedere afwijkende bloedwaarde insulinedysregulatie gaan zoeken.
Een nieuwe bril is alleen nuttig wanneer hij het beeld scherper maakt.
De uitdaging is daarom niet om plotseling ieder paard als metabole patiënt te beschouwen. De uitdaging is om insulinedysregulatie te herkennen waar ze werkelijk aanwezig is, correct te onderzoeken wat haar in stand houdt en vervolgens verder te kijken dan alleen het laboratoriumgetal.
Want ook met een geneesmiddel in de behandelkamer begint de dagelijkse aanpak nog altijd bij wat er in de voerbak en op de weide ligt.