“Hoeveel suiker zit erin?” Voor paarden met insulinedysregulatie is dat een heel relevante vraag. Maar niet de enige.
Steeds meer onderzoeksresultaten laten zien dat de insulinerespons na een maaltijd ingewikkelder is dan alleen de hoeveelheid suiker en zetmeel die het paard binnenkrijgt.
Ook aminozuren – de bouwstenen van eiwit – kunnen de afgifte van insuline stimuleren.
Dat betekent niet dat eiwit ineens de nieuwe vijand is. Het betekent vooral dat we naar het hele rantsoen moeten kijken.
Insulinedysregulatie is niet hetzelfde als insulineresistentie
De termen worden nog regelmatig door elkaar gebruikt, terwijl ze niet hetzelfde betekenen.
Insulinedysregulatie, of ID, is een overkoepelend begrip. Een paard kan bijvoorbeeld een te hoge of te langdurige insulinerespons na het eten hebben, een verhoogde basale insulinewaarde, perifere insulineresistentie of een combinatie daarvan. Een paard hoeft dus niet aantoonbaar insulineresistent te zijn om toch een problematische hyperinsulinemische reactie te vertonen.
Dat verschil is belangrijk wanneer voedingsonderzoek wordt geïnterpreteerd.
Koolhydraten blijven belangrijk
Bij ID is er goede reden om suiker en zetmeel serieus te nemen.
Paarden met ID kunnen na het eten een veel sterkere insulinerespons vertonen dan metabool gezonde paarden. Daarom vormt het beperken van onnodig hoge innames van suiker en zetmeel een belangrijk onderdeel van het nutritionele management.
Maar insuline reageert niet exclusief op glucose. Ook bepaalde aminozuren kunnen de pancreas stimuleren om insuline af te geven.
En daar wordt het interessant.
Wat gebeurt er na een eiwitrijke maaltijd?
In een eerder paardenonderzoek kregen zes paarden met EMS en zes controlepaarden een experimentele, zeer eiwitrijke maaltijd.
De paarden met EMS vertoonden daarop een ongeveer negenmaal grotere totale insulinerespons dan de controlepaarden. Ook bleven verschillende aminozuren na de maaltijd in hogere concentraties in het bloed aanwezig.
Latere studies vonden eveneens dat paarden met ID na verschillende eiwitbronnen een sterkere postprandiale insulinerespons konden hebben.
Een review uit 2025 bundelde deze kennis en concludeerde dat de relatie tussen ID en eiwitmetabolisme duidelijk verder onderzocht moet worden. Voor koolhydraten zijn inmiddels praktische voedingsdrempels voorgesteld; voor eiwit bestaan zulke gevalideerde grenzen nog niet.1
Betekent dit dat een paard met EMS minder eiwit moet krijgen?
Nee. En dat is een belangrijke nuance.
Uit deze onderzoeken kun je niet concluderen dat paarden met EMS of ID standaard op een eiwitarm dieet gezet moeten worden.
Eiwit en essentiële aminozuren zijn nodig voor onder andere spierweefsel, enzymen, transporteiwitten en herstel. Zeker bij gewichtsverlies willen we voorkomen dat een paard naast vetmassa onnodig veel spiermassa verliest.
Bovendien zijn veel beschikbare studies klein en werden soms experimentele maaltijden gebruikt die niet één-op-één overeenkomen met een normaal dagelijks rantsoen.
Er is op dit moment geen goed onderbouwde universele grens waarbij kan worden gezegd: “boven dit percentage eiwit is het rantsoen ongeschikt voor een ID-paard.”
‘Laag in suiker’ betekent niet automatisch metabool neutraal
Waar het onderzoek wél aanleiding toe geeft, is kritischer kijken naar producten. Een voer kan met grote letters worden verkocht als: low sugar, low starch oder geschikt voor paarden met EMS of laminitis maar daarmee kennen we nog niet de totale nutritionele belasting van de maaltijd.
De hoeveelheid die wordt gevoerd, eiwitgehalte en aminozuurprofiel, overige ingrediënten, totale energie-inname, ruwvoer en het individuele paard bepalen samen wat er uiteindelijk gebeurt.
Een percentage op de zak staat nooit los van de gevoerde hoeveelheid.
Het hele rantsoen telt
Voor paarden met insulinedysregulatie blijft het beperken van excessieve suiker- en zetmeelinname belangrijk. Het nieuwe inzicht zegt niet dat we dat moeten loslaten.
Het is dat de fysiologie complexer is dan: suiker = insuline, alles daarbuiten = neutraal.
Goede rantsoenbeoordeling begint daarom niet met het zoeken naar één “veilig” getal op een etiket.
Ze begint met kijken naar het volledige rantsoen, de daadwerkelijke hoeveelheden én het paard waarvoor dat rantsoen bedoeld is.